Questo lavoro botanico descrive in dettaglio *Carex hirta*, una pianta della famiglia delle Cyperaceae, evidenziandone le caratteristiche, l'habitat e il periodo di fioritura. Diffuso in Europa, in particolare nelle regioni settentrionali e centrali, è descritto come una specie rara nei Paesi Bassi.
1401 x 1784 px | 23,7 x 30,2 cm | 9,3 x 11,9 inches | 150dpi
Altre informazioni:
Solo diritti di accesso. Si tratta di un’immagine di tipo handout o di pubblico dominio fornita da una terza parte. Alamy concede l’accesso al file digitale, ma non fornisce alcuna garanzia in merito al copyright o ai diritti morali. Qualsiasi alterazione, modifica o ritaglio è vietato senza previa approvazione. Tutti gli utilizzi commerciali richiedono un’autorizzazione preventiva da parte del fornitore dei contenuti.
Questa immagine potrebbe avere delle imperfezioni perché è storica o di reportage.
. De flora van Nederland. Plants. FAMILIE 17. — CYPERACEAE. — 411. Carex hirta FiK. 339. geelbruin. De vruchten zijn breed-oiiigekeerd eirond, driekantig, stomp, geelbruin, vaak niet ontwikkeld. 4- 3-10 dM. Mei, Juni. Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in Midden- en Noord-Europa in diepe lage venen voor, vaak veel bijeen. Zij is bij ons vrij zeldzaam. C. hirla') L. Ruige zegge (fig. 339). Deze plant is grasgroen en heeft een kruipenden wortelstok. De stengel is rechtopstaand of opstijgend, stompkantig (fig. 339), alleen onder de mannelijke aartjes ruw, bebladerd , omstreeks even lang als de bladen der niet bloeiende loten. De onderste bladen hebben bruinachtige, purper aan- geloopen, zwak rafelende, behaarde scheeden en een tamelijk breede (niet meer dan 4 niM), vlakke of iets gootvormige, (als de scheede) dicht of verspreid behaarde bladschijf. De bloeiwijze bestaat uit 2-4 tamelijk ver uit- eenstaande vrouwelijke en 2-3 (zelden 1), van de vrouwelijke meest ver verwijderde, mannelijke aartjes. De schutbladen zijn verlengd, vaak even lang als of langer dan de bloeiwijze, de onderste zijn lang, de bovenste kort scheedeachtig, die der mannelijke aartjes zijn (evenals bij alle verwante soorten) meest klein. De vrouwelijke aartjes zijn ovaal tot kort cylindrisch, meest niet meer dan 2 cM lang, het onderste of de onderste hebben een uitstekenden steel, de overige zijn meest zittend. De kafjes (fig. 339) zijn langwerpig-eirond, naar boven behaard, in een langen, aan den rand gezaagden top versmald, witvliezig met breede, groene middenstreep, naar boven bruinachtig of bruin aangeloopen. Er zijn 3 stempels. De urntjes (fig. 339) zijn eirond-kegelvormig, circa 6 mM lang, meernervig, langgesnaveld (tot 2 mM), dichter of verspreid kort behaard, geelgroen, ten slotte bruin. De snavel is slank, later met afstaande tanden. De mannelijke aartjes zijn slank cylindrisch, staan meest dicht bijeen. Zij hebben langwerpige, stekelpuntige, boven behaarde, witvliezige,